Praten verbindt, een goede babbel doet deugd. Maar wat zeg je tegen iemand die kanker heeft, en wat beter niet? Als psychiater voert professor Dirk De Wachter al veertig jaar gesprekken die dieper durven gaan. Vier jaar geleden kreeg hij kanker. Die ervaring bevestigde zijn visie, en meteen ook die van Kom op tegen Kanker. ‘Je moet vooral luisteren, en niet bang zijn als er eens een stilte valt.’
Misschien ben je een zwijgzaam type, misschien staat je kwebbel nooit stil. Maar in gesprek gaan met iemand die kanker heeft, dat is voor niemand gemakkelijk. Het is verleidelijk om af te wachten en niet meteen contact te zoeken. Dat zou jammer zijn, vindt Dirk De Wachter. De Leuvense psychiater werd bekend met boeken als Borderline Times en Vertroostingen. In dat laatste schrijft hij openhartig over zijn ervaringen als kankerpatiënt, en over het belang van nabijheid en medemenselijkheid in tijden van ziekte. We praten met hem in zijn kantoor in het Universitair Psychiatrisch Centrum KULeuven. Daar is hij krek dezelfde als op de televisie: een minzame man, bedachtzaam formulerend en met een milde blik op de kleine kantjes van de mens. ‘Contact zoeken is beter dan niets doen, ook al is het onbeholpen. Liever onbeholpen dan misplaatst zelfverzekerd. De persoon met kanker is vaak ook onbeholpen. Dus ja, ik pleit voor contact zoeken!’
‘Dat moet je natuurlijk respecteren. Maar ik zou het een week later toch nog eens proberen. In ‘laat me met rust’ zit soms een dubbele boodschap: ik wil niet, maar misschien toch wel. Stuur een berichtje. Of een briefje.’
‘Ik heb veel digitale berichtjes en mails gekregen toen ik ziek was, van bekenden en onbekenden. Heel troostend, heel aangenaam. Maar een handgeschreven brief in de bus, in een enveloppe, met een echte postzegel erop, dat vond ik toch bijzonder. Ik bewaar mijn brieven in een doos. Als het God belieft, zal ik ze op hoogbejaarde leeftijd nog eens herlezen.’
‘Wees gewoon jezelf en onbevangen. En vooral: luister. Sommige mensen compenseren hun onwennigheid door te babbelen. Over zichzelf. Of over iemand anders, want die heeft hetzelfde meegemaakt en dat is goed afgelopen. Of net niet. Begrijpelijk, maar niet gepast.'
‘Ik denk van wel. In mijn nieuwe boek Wachten, dat in december verschijnt, houd ik een pleidooi voor geduldig zijn, wachten, de stilte toelaten, luisteren. Dat is de goede ingesteldheid als je in gesprek gaat met iemand die ziek is.’
‘Je hoeft echt geen psychotherapeut te zijn om goed te luisteren. Mijn vader, een kinesist, liep niet hoog op met mijn beslissing om psychiater te worden. Hij vond het maar een rare keuze. Maar zelf had hij een natuurlijk talent voor luisteren. Hij was een lieve man die met zijn grote, zachte handen de spieren en gewrichten van zijn patiënten losmaakte. Ondertussen luisterde hij in stilte naar hun verhalen.’
Stilte geeft ons de kans om onze gedachten op een rijtje te zetten
Een stilte die lang duurt, kan ook een ongemakkelijke stilte worden. Maar dat vindt Dirk De Wachter geen probleem: ‘Integendeel, laat dat gebeuren. Stilte geeft ons de kans om onze gedachten op een rijtje te zetten. Ze kan ruimte geven aan emoties. Stilte toelaten is wel moeilijker als je oog in oog met iemand zit te praten, zoals wij hier nu doen. Als het fysiek mogelijk is, zou je een kleine wandeling kunnen maken. Een stilte wordt minder gênant als je om je heen kijkt. Of ga naast elkaar in de zetel zitten. Een goede vriend van mij kookt graag. Soms staan we samen in de keuken, en ook dan is het een afwisseling van praten en stil zijn.’
‘Mijn zoon, die ook psychiater is, had een fantastisch idee. Hij kocht twee exemplaren van An Odyssey: A Father, a Son, and an Epic, een boek van Daniel Mendelsohn over een vader-zoonrelatie. Ik kreeg er één cadeau. We lazen het boek tezelfdertijd en stuurden elkaar berichtjes. Hoever zit jij? Wat vind je hiervan? Voor ons was dat een goede manier om verbinding te maken.’
‘Een soap volgen en de lotgevallen van de personages bespreken mag ook, hoor! (lacht) Daar spelen dezelfde thema’s.’
‘Boosheid, angst, verdriet: het hoort er allemaal bij. Ga daar niet te snel tegen in. De grens tussen moed inspreken en zeggen dat alles goed komt, is dun. Toxisch optimisme, noem ik dat laatste wel eens. De filosoof Emmanuel Levinas pleitte voor l’espoir sans espérance, hoop zonder verwachting. In de zin van: je staat er niet alleen voor, ik ben er voor jou, los van wat er verder gebeurt.’
Ik wens alle ziektes een organisatie toe als Kom op tegen Kanker.
‘Blijven vechten’ is een klassieke aanmoediging. Kom op tegen Kanker is geen fan van die metafoor. ‘Ik ook niet’, zegt Dirk De Wachter. ‘Ik ben vier jaar geleden behandeld en stel het voorlopig goed, maar dat is dankzij de vooruitgang van de wetenschap en een portie geluk. De genezingskans voor veel types kanker is sterk verbeterd. Veertig jaar geleden zou ik er nu niet meer geweest zijn. Met strijdlust heeft dat niet veel te maken. Al zal een portie courage wellicht helpen om de moeilijke momenten van de behandeling door te komen.’
‘Ook die uitspraak is goedbedoeld, maar als ik opnieuw Levinas mag citeren: de andere is een vreemde die je nooit helemaal kunt begrijpen. Ook al heb je zelf ooit chemo gehad. Elke situatie is anders, iedereen ervaart zijn ziekte op een andere manier.'
‘Als dat de grenzen van die ander niet overschrijdt: zonder twijfel! Elke mens heeft behoefte aan fysiek contact. Huidhonger, zeggen de Nederlanders daartegen. Maar dat klinkt mij een beetje te kannibalistisch in de oren. Ik vind niet dat we elkaar moeten bijten. (lacht) Ik noem het liever strelingsstreven. In het ziekenhuis, op een pijnlijk moment van de behandeling, legde een verpleegkundige even haar hand op de mijne terwijl ze zei: “Rustig aan, ik ben er voor u, we gaan goed voor u zorgen.” Dat was … wezenlijk. Menselijke nabijheid is cruciaal.’
‘Ik hoop dat dit niet pretentieus klinkt, maar eigenlijk niet. Als dokter was ik al overtuigd van het belang van luisteren, stilte en vertraging. Nu heb ik ook als patiënt ervaren hoe belangrijk die dingen zijn. Mijn kijk is dus niet veranderd, maar wel meer gegrond geworden. Ik heb ook geleerd dat je in de lastigste tijden mensen beter leert kennen, in positieve en negatieve zin. Een collega, iemand die nochtans wat verder van me afstond, heeft in die periode bijvoorbeeld heel veel betekend voor mij. Puur door wat hij schreef en zei.’
‘Een paar keer. Een vriend bleef bij zijn bezoek maar doorratelen over zijn vakantie en zijn andere bezigheden … Het kwam niet in hem op om te vragen hoe het met mij ging. Maar dat was geen kwade wil, het kwam voort uit ongemak en machteloosheid.’
‘Ik ken Kom op tegen Kanker goed – jullie betekenen enorm veel voor mensen met kanker en hun geliefden. Ik wens alle ziektes zo’n toegewijde organisatie toe.’
Heeft een familielid, een vriend of vriendin, buur, geliefde of collega kanker? Dan zit je zelf allicht ook met twijfels. Hoe reageer je? Wat zeg je? Wat zeg je beter niet? Hoe kun je aangeven dat je aan iemand denkt, of helpen met praktische zaken in het dagelijkse leven? Omdat veel mensen niet weten wat te zeggen of te doen, wachten ze af en zoeken ze niet meteen contact. Terwijl dat mensen met kanker net steun en troost zou kunnen bieden. Om naasten en mantelzorgers op weg te helpen, verzamelde Kom op tegen Kanker een heleboel concrete tips op de infowebsite allesoverkanker.be.
© Joost Joossen
Een vraag voor onze organisatie of een vraag over kanker? We zijn er voor je.